|
Tijdens de Week voor de Geschiedenis werden enkele lezingen georganiseerd in relatie met de expositie van Arnoud tot Zwarte Tulp, 100 jaar Kunstzandsteen. Op dinsdag 2 november was er een inleiding door de heer J. Kroon. Hieronder volgt zijn relaas. Dames en Heren! Mij is gevraagd iets te vertellen over de steenfabriek i.v.m. het 100-jarig bestaan daarvan. Laat ik me eerst even voorstellen. Ik ben Jaap Kroon. Ik ben geboren op 6 november 1916. Dat is, op een paar dagen na, dus 88 jaar geleden. En midden in de Eerste Wereldoorlog. Mijn vader, Maurits Kroon, smid in Abbenes, moest zijn bedrijf alleen laten wegens oproep voor militaire dienst. Het zag er dus niet rooskleurig, uit toen ik ter wereld kwam. Toch was mijn jeugd in de polder voor mij een prachtige tijd. Niet alleen in de smederij maar ook bij de boeren naast ons. Toen was er op een boerderij nog van alles te beleven. Je zag er paarden en koeien en varkens. Je had de hooitijd en de korenbouw. Ik zag er mijn toekomst. Al heel jong. Als iemand mij vroeg: Jaap, wat wil je worden? Gaf ik prompt als antwoord: Smid, boer en dominee. Door de week smid, 's zaterdags boer en 's zondags dominee. Allemaal niets van terecht gekomen! Jammer! Ik werd kantoorbediende. Dat kwam zo. Als het jaar om was ging m'n vader bij z'n klanten langs om z'n rekeningen te innen. Eerst bij de boeren en dan bij de daggelders. Zo gebeurde het dat hij in Januari 1933 bij een zekere Tamboer, arbeider bij boer Kofoud kwam. Zoals gebruikelijk werden met de huisgenoten eerst de familieomstandigheden doorgenomen. Mijn oudste broer was in militaire dienst en zou dat voorjaar daarvan weer vrij komen. Na mijn Mulo-tijd had ik hem vervangen in de smederij. Maar omdat mijn vader geen werk had voor twee knechts, moest ik wat anders zoeken. Nu was die Tamboer getrouwd met een vrouw uit Lisse en zij had nog altijd belangstelling voor het nieuws uit die plaats. Las daarom 'Ons Weekblad". Vond daarin een advertentie, waarin een jongste bediende gevraagd werd op het kantoor van de steenfabriek. M'n vader liet mij de advertentie zien en ik schreef een keurige sollicitatiebrief. Prompt werd ik aangenomen. Per 1 maart 1933. Dat betekende een totaal andere wending in m'n levensloop. Ik wist alleen dat er in die fabriek witte stenen gemaakt werden. Had wel vele jaren twee hoge schoorsteenpijpen de lucht in zien priemen, aan de westelijke horizon. Nu maakte ik kennis met de binnenkant van dat bedrijf, de 'Arnoud' genoemd. En ook met de oprichter ervan: Baron dan Hardenbroek. Ik vond het allemaal machtig interessant. Hoe je van zand, gemengd met een beetje kalk een bikkelharde steen kon maken. En dan al die werkplaatsen. Bankwerkerij, smederij, timmerwinkel, scheepswerf. De grote vuren voor de stoomproductie. De machinekamer met de prachtige stoommachines. Ik keek m'n ogen uit! Hoe in de perserij door zware machines, bij een oorverdovend lawaai, de stenen gevormd werden. Hoe uit de bloedhete steenketels de karren met gereed product te voorschijn kwamen. En dan het verladen in binnenschepen en rijnaken. Ik vond het allemaal heel boeiend. En voor de grote baas hiervan, die kleine gezette figuur, met zijn grijze snor had ik een mateloze bewondering. Zoiets op te bouwen, dat zou ik ook willen, al was het maar in het klein! De kantoortijd begon 's morgens om negen uur. De baron zelf kwam om een uur of elf. Hij bleef tot 's avonds zeven uur. Veel van wat we nodig hadden voor de dagtaak werd opgeborgen in een onwaarschijnlijk grote kluis. Werk voor de jongste bediende. Daarna bracht ik de post naar het kantoor in Lisse. Met aangetekende brieven stond ik in een lange rij voor het loket. En als ik dan eindelijk weer terug was in Abbenes, bleek m'n warme hap al behoorlijk verpieterd. Maar dat telde ik niet! Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol was geen gemakkelijk heerschap. Zeker niet als je hem tegen had. En er was in die tijd nog wat je noemt standsverschil. Dat vond je ook bij de boeren en in de dorpen. En dat opzien tegen iemand van adel, dat wist die edelman behoorlijk uit te buiten. Hij kon je de huid vol schelden. Vreemd genoeg werd dat geaccepteerd. In dat opzicht is er intussen veel veranderd. Zelf trof ik het beter. Ik heb van die bullebak nooit een onvertogen woord naar m'n hoofd gekregen. Wel aanmoediging, maar hij liet me dan ook pittig voor hem lopen. Die eerste dan van m'n diensttijd kreeg ik een plaats in de typekamer, naast de typiste Cornelia Slinger. Van haar leerde ik wat er van me verwacht werd, En ze had geduld met die knul uit de polder, Zelf kende ze de luimen van de grote baas en was niet bang van hem. Had soms moeite met z'n handschrift. En hij schreef wat af. Ellenlange brieven. Aan de Raad van Beheer, aan hoge ambtenaren, aan partijgenoten, aan directeuren van andere ondernemingen en noem maar op. Bemoeide zich in het bedrijf ook met alles. Ging er prat op dat alles in eigen beheer en met eigen mensen uitgevoerd kon worden. Had hij werk voor de typiste dan klonk het door de vertrekken 'Pietje". Had hij mij nodig dan hoorde je een lang gerekt 'Jonkie'. Die datum, 1 maart 1933, die ik al noemde, was voor het bedrijf een heel bijzondere dag. Niet omdat ik er kwam, maar om een andere reden. Al jaren daarvoor was landelijk de werkweek van 48 uur bij de wet ingevoerd. Sommige bedrijfstakken, zoals de steenindustrie, waarin nog altijd 55 uur gewerkt werd, genoten dispensatie van die regel. En dat moest nu maar eens afgelopen zijn. In 1929 werd daarover met van Hardenbroek een afspraak gemaakt. Als tegemoetkoming voor zijn medewerking naar 48 uur, werd hem een vergunning beloofd om met een dag- en nachtploeg te gaan draaien. Hij kreeg nog tot 1933 de tijd om de fabriek daarvoor om te bouwen. Die veel grotere productie vergde een belangrijke investering aan gebouwen, machines, tasterrein en vaartuigen. Voor de vergrote behoefte aan stoom kwam er zelfs een hypermoderne nieuwe stoomketel in een eigen gebouw. Op de hoek van de Ringvaart verrees een silo voor kalkopslag bij winterdag. Om door te kunnen werken bij strenge vorst, als de bouw stillag, kwamen er hijskramen bij om de voorraad hoog op te stapelen. Complete scheepshellingen werden aangelegd om de bakken voor de zandaanvoer in de vaart te houden. Van Hardenbroek hield niet van half werk. En het lukte, zijn fabriek werd de modernste van Nederland en een van de grootste op zijn gebied in Europa. Die ombouw kostte fl 1.350.000,- Intussen was de economie wereldwijd in een ernstige crisis beland en dat werkte door in alles. De afzet stokte en de prijzen daalden. Er moest fel geconcurreerd worden om de productie aan de man te brengen. Landelijk kwam er een roep om sanering en ordening. Er gingen stemmen op om een aantal steenfabrieken stil te leggen en de overigen te verplichten een fonds te vormen om de niet-werkenden daaruit te compenseren. De baron was daar, als echte oude liberaal, vierkant tegen. Dat zou het product alleen maar onnodig duur maken. De kleine rammelfabriekjes, die niet tijdig investeerden moesten verdwijnen. Hadden volgens hem geen reden van bestaan meer. Zijn stelregel was: Saneren? Goed, maar maak gezond Wat leefkracht heeft beklijve Wiedt daaromheen het onkruid uit……….. De regering ging er zich mee bemoeien. Dreigde met intrekking van de dag- en nachtvergunning. Van Herwaarden verzette zich uit alle macht. Stelde dat hij de gemaakte afspraak had nagekomen en dat de overheid dat ook diende te doen. Daar moest je toch op aan kunnen? Dat had je nu van zo'n Rooms-Rood kabinet. Onbetrouwbaar! Het sukkelde nog een aantal jaren door. Maar toen kwam de fatale dag en viel de bekeuring. Er volgde een proces, maar de baron kon zijn recht niet krijgen. Ondanks dat hij als een leeuw gevochten had. Het was een bittere pil voor de man die als lijfspreuk aan de wand van zijn kamer had: 'Een onderneming die gij eens begint Geef die niet op voordat ge wint' Hij voelde zich lamgeslagen! Ik volgde dat met grote spanning. Intussen groeiden mijn bezigheden. Op het eind van de week werd voor zo'n 350 man het loon berekend en uitbetaald. Alles met contant geld. We propten dat in blikken busjes met een klein stukje papier erbij, waarop het bedrag te lezen stond. Kom daar nu nog eens om. Voor de berekening voor één man is al gauw een A-4tje nodig. Voor de eerste vorm van oudedagspensioen moest per week door de werkgever een zegel van 60 cent geplakt worden. Op een kaart die door de Raad van Arbeid verstrekt werd. Dat was veel te bewerkelijk en ik plakte dan ook die hele kaart in één keer vol met een paar grote lappen. Ik vermoed dat maar weinig mensen zich het gedoe met die rentekaarten nog herinneren. Intussen is daar al lang de A.O.W. voor in de plaats gekomen. Ook hadden we nog de ziektewet, waarvoor ik de uitkering aan de zieken moest verzorgen. Ongevallen waren ook niet zeldzaam. Ik maakte zelfs een dodelijk ongeluk mee van een jongen van mijn leeftijd. En, om de rij van sociale wetten vol te maken, kwam er ook nog de kinderbijslag. Door van Herwaarden snerend 'fokpremie' genoemd. Op lijsten, die de mensen inleverden, moest voor elke gewerkte dag een kruisje gezet worden. Hoe kregen ze het uitgedacht. Uren was ik er zoet mee! En, 'last but not least' kwam de loonbelasting. De werkgever werd onbezoldigd tollenaar. De hele last van de belastinginning van een groot deel van de bevolking kwam op de schouders van de werkgevers. Zonder enige vergoeding! Toen kwam de oorlog. Al heel snel stonden de Duitse officieren bij van Herwaarden op de stoep. Eerst heel correct, maar al gauw met eisen. Zou hij weigeren mee te werken dan kwam er wel een Verwalter. En de baron wilde maar al te graag. Nu kwam zijn tijd. Miljoenen stenen gingen er naar de vernielde vliegvelden en alle mogelijke bunkerbouw. En zijn rechterhand, dr. Markus, regelde de onderhandelingen. Zo kon het bedrijf in stand blijven voor de wederopbouw na de oorlog en de arbeiders hoefden niet naar Duitsland. En de afkeer van de baron van wat hij, al sinds de boerenoorlog, het 'perfide Albion' noemde, werd gevoed door de soms volkomen foutieve luchtaanvallen van de Engelse bommenwerpers op delen van Nederland. Hij bleef getrouw aan het familiewapen met de spreuk: 'Semper idem.' Daar kwam nog bij dat de bedrijfsleider, Willem Naber, in zijn eigen huis, door een Engelse jager, werd doodgeschoten. We kregen allemaal een z.g. Ausweis, een verklaring getekend door een Ortscommandant, dat we werkten bij een Kriegswichtig bedrijf, zodat we bij razzia's niet opgepakt mochten worden voor tewerkstelling in Duitsland. Zelfs voor m'n fiets kreeg ik een bewijs van onmisbaarheid. Hoewel dat tegen het eind van de oorlog niet meer hielp. Op een dag kreeg ik bij een actie van die Edelgermanen, in ruil voor mijn goede herenfiets, een oud dameskarretje met massieve banden in de hand gedrukt. Maar, op de fabriek werd het hoe langer hoe stiller. Er kwam aan alles gebrek. Steenkool, dieselolie, kalk, benzine, ijzer, het raakte allemaal op. De baron moest zijn auto laten staan. Voor zijn dagelijkse reis Haarlem-Hillegom werd met veel moeite nog een piepklein elektrisch autootje gevonden. Met slechts één wiel van voren en waarvan de accu telkens bijgeladen moest worden. Het was een vermakelijk gezicht die zware man achter het stuurtje te zien zitten. Als hij instapte zakte het karretje een fors stuk omlaag. Na de hongerwinter '44-'45 kwam de bevrijding. De fabriek was zonder grote materiele schade de oorlog doorgekomen. En van Herwaarden meende eindelijk weer volop aan de slag te kunnen. Maar dat liep anders. Op een dag deed de P.O.D. een inval in het kantoor en alles wat maar enigszins belastend was voor de directie werd meegenomen. En nog in datzelfde jaar werden de baron en zijn secretaris dr. Markus, opgepakt en vastgezet. Als foute Nederlanders. Op 30 oktober 1946 wordt dan door een Bijzonder Gerechtshof vonnis geveld. De uitspraak is dat beide verdachten hebben begaan: Opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verlenen, méérmalen gepleegd. De baron wordt veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf onder aftrek van voorarrest en een boete van fl 4.000,- Marcus krijgt twee jaar en zes maanden onder aftrek, door te brengen in een Rijkswerkinrichting. Verder worden beiden ontzet uit het kiesrecht, zowel passief als actief. En het wordt ze verboden om ooit nog een functie uit te oefenen bij de fabricage van kalkzandsteen. Wat moet dat voor van Herwaarden een enorme klap zijn geweest! Hij die met nooit aflatende energie een prachtig bedrijf had opgebouwd, wat veel mensen werk gaf. En die de kalkzandsteen, na eindeloos veel weerstand tot een algemeen aanvaard en volop toegepast product had opgewerkt, moest nu horen, dat hij nooit meer in die industrie werkzaam mocht zijn. Dat werd zijn dood. Hij overleed op 1 juli 1947. Bij deze man heb ik ruim 12 jaar dienst gedaan. Het meeste ervan was ik al lang vergeten. Maar toen ik deze kamers zag kwam er veel bij me weer boven. Een facet ervan wil ik nog even kwijt. Bij de brug over de buitenhaven was er een vergaderzaal. Daarin kwamen de aandeelhouders bij elkaar. Aan de wanden zag je toepasselijke spreuken. Een ervan weet ik nog: Schiep natuur in eeuwen tijd Wat hier thans door de mensenhand Per etmaal wordt bereid. Je zou daar uit af leiden, dat die industrieel met zijn techniek zich machtiger vond dan de natuur. Toch was dat niet zo. Op een avond, na weer een dag vol problemen, moest ik hem uitlaten. We liepen naar de garage. Onverwacht bleef hij weer staan en hij zei: Jaap, wat is een kip toch een knappe fabriek, Om elke dag zo'n prachtig ei te maken. En nog wel met een harde schaal erom! Ik had een kip nog nooit als een fabrikant gezien, maar gaf hem maar snel gelijk. Ik dank u.
Voor vragen en opmerkingen kunt u een e-mail zenden naar
museum.dezwartetulp@12move.nl.
|